Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for februari, 2019

Toen we in 2002 bezig waren met de vergunning voor onze camping, werden we continu bestookt met nieuwe redenen om die af te wijzen. Zo moesten we ineens aantonen dat er voldoende water was voor de brandweer, ingeval van brand op het terrein. Onbegrijpelijk, we zaten aan de rivier- altijd water- , het veld was toen nog een “onbrandbare” prairie én er liep een kanaaltje over de volle lengte van ons terrein. Maar dat was nog niet voldoende, we moesten beslist een aansluitpunt voor de brandweer maken, zei de toenmalige wethouder. In 1956 was de schuur van onze boerderij afgebrand en sindsdien verzochten de buurtbewoners tevergeefs om zo’n “ brandpunt”.
Maar ja, dat kostte € 150.000,-. Dat geld had de gemeente niet…tot ze een slachtoffer vonden, iemand die deze rekening wel kon voldoen. Gelukkig hadden we toen al hulp van de voorzitter van de campingfederatie, Michel, die meteen gehakt maakte van de wethouder. Het ging er in dat gesprek hard aan toe: “U weet heel goed dat dit niet een verantwoordelijkheid is van een gewone burger. En als u dit niet gelooft, bel ik zelf wel even met de departementale brandweer, die directeur ken ik persoonlijk.” We zagen de wethouder toen voor onze ogen ineenschrompelen.
Michel suggereerde de aanwezigheid van het kanaaltje uit te buiten. Daarom moest ik naar de voorzitter van de associatie die dat beekje beheerde en die de door te laten hoeveelheid water bepaalde. Ik moest aan hem een schriftelijke verklaring vragen dat, ingeval van brand, dit water gebruikt mocht worden. En daardoor kwam ik voor het eerst in de Moulin de l’Aube, die toen nog in bedrijf was als walnotenoliefabriekje. Hoe bijzonder dat was, drong nauwelijks tot me door, ik zag alleen een heel donkere werkplaats. Wilde ook eigenlijk alleen maar zo snel mogelijk een attestation van de molenaar hebben. Dat hij met zijn werk stopte, kreeg ik alleen mee toen we een jaar later met onze eigen walnoten naar een oeroude fabriek in Crest moesten.

Tot mijn verrassing was de oude molen van Die bij de Open Monumentendagen van 2017 ineens te bezichtigen. Het blijkt om een uniek industrieel monument te gaan. Deze molen is ergens in de 17e eeuw in gebruik genomen. Het waterrad, aangedreven door water dat vanuit de bergen naar beneden kwam, werd gebruikt voor een houtzagerij, het malen van graan en het verwerken van walnoten tot olie.

Drie generaties van een familie hadden het gebouw in 2015 gekocht en waren nog niet verder gekomen dan alles schoon te maken. Dat was al een hele klus, knoei zelf maar eens wat olie over de grond..
We keken onze ogen uit. Dat begon buiten al, met het oude waterrad. Ik vond het prachtig, ook al was het verval goed zichtbaar. Het hydraulische systeem, om het rad te laten werken, bestond ook nog, maar gehavend. Binnen waren alle machines bewaard gebleven en zelfs in goede staat.

Het is interessant dat door zo’n watermolen ineens weer een stukje van de historie van Die bekend wordt. Er hebben in totaal langs het Canal des Fondeaux 8 molens en 19 fabrieken gestaan. Er werd bijvoorbeeld linnen gemaakt en verwerkt, wol ontvet enzovoort.
Die bedrijven maakten allemaal dus gebruik van dat stromende water. Een paar van die gebouwen staan er tegenwoordig nog steeds, in gebruik als woonruimte, kantoor of verzamelgebouw voor kleine bedrijven.

Toen wij in 2017 de molen bezochten, was er al een een miellerie, een honingmakerij, in het pand gevestigd, L’Abeille du Vercors. Het laatste deel van die naam zegt het al: de verschillende soorten honing komen exclusief van planten uit het Parc Naturel du Vercors. En deze honing is dus in hun winkeltje te koop.

Binnen zijn de machines inmiddels gerestaureerd en nu is het waterrad aan de beurt. Na de ontmanteling was de slechte staat ervan goed zichtbaar. Vrijwilligers helpen met de opknapbeurt en ook met het inzamelen van de benodigde financiële middelen. Immers, privébezit wordt niet gesubsidieerd.
Het is de bedoeling om uiteindelijk, ergens in 2020, alle machines weer te laten draaien op waterkracht. En dan wordt er ook weer meel gemaakt en walnotenolie.
Maar ik hoop – en verwacht- dat het in het komende toeristenseizoen wel open zal zijn voor bezichtigingen. Dan sta ik graag met mijn neus vooraan.

Read Full Post »

 

Iedere streek, elk land, heeft wel zijn specifieke producten. Zeg je bijvoorbeeld Holland, dan heb je het meteen over kaas en tulpen. Zo is Frankrijk synoniem aan wijn.
De Drôme heeft veel van die typische streekproducten. Het stadje Die is natuurlijk bekend van de Clairette de Die, de mousserende witte wijn. Maar er is hier veel meer lekkers.
Zo is de vallei van de rivier de Drôme hét biogebied van Frankrijk. Dat is begonnen met 2 Nederlandse families, die in 1979 hier op biologische wijze kruiden gingen verbouwen. Hun eigen bedrijf heeft nu 54 werknemers en een jaaromzet van € 82 miljoen. Inmiddels hebben veel mensen hier die werkwijze overgenomen. En ook redelijk uniek: Die heeft maar liefst 2 biosupermarkten.
Een volgende topper uit de Drôme is de truffel, de zwarte diamand. Die laatste benaming heeft te maken met de prijs: je betaalt tussen de € 40 en € 120,- per ons! In feite gaat het om een soort paddenstoel, die onder een zogenaamde truffeleik groeit. De grond moet kalkrijk zijn en er is een mediterraan klimaat nodig, zelf zo’n boompje planten levert dus niet zomaar truffels op.
Onze eerste ervaring met een echte truffel was wel heel bijzonder. Wij aten eens bij de buren van onze buren. Hij is een fervent jager, op ons verzoek had zijn clubje een kudde wilde zwijnen van ons terrein “verjaagd”. En daarom moesten we een avondje bij hem eten. Na de rollade van de zwijnenkop kwam er een schaal tagliatelle op tafel, alleen aangemaakt met een beetje room. Ik dacht nog, in mijn onkunde: Daar had je best iets meer van kunnen maken, een beetje groente erin plus wat vlees bijvoorbeeld. Maar toen kwam JP langs met een zwarte truffel en iedereen kreeg met de kaasschaaf een paar plakjes voor over de pasta. Daar at je je vingers bijna bij op!
Ook zwart, maar dan bovengronds groeiend, zijn er de olijven. Op ongeveer 1300 hectare in en rond Nyons staan zo’n 260.000 olijfbomen.
De grote vruchten worden gebruikt als borrelhap of in het eten, de kleinere zijn voor het persen van olijfolie. Op de markt in Die staan 2 kramen waar je die vruchten kunt kopen. Eén dame uit Nyons verkoopt diverse smaken (met basilicum, Herbes de Provence, knoflook etc.) vanuit haar bestelautootje. En juist dáár staat altijd een rij wachtenden, dat is een goeie graadmeter voor de kwaliteit. Nyons zelf is een bezoek meer dan waard. Op donderdagochtend is er een megagrote, Provençaalse markt. De middag zou je kunnen gebruiken voor een bezoek aan een echte olijfoliedistilleerderij.

Montelimar is de bakermat van de noga. Niet zo duur als de truffel, maar voor snoepgoed best wel pittig geprijsd. Toeristen gaan er hier op de markt nog wel eens de mist mee in. Dan zie je een prachtige taart van noga en bijna kwijlend laat je daarvan een plak afsnijden. Pas daarna dringt het door dat de kostprijs wel zo’n € 30,- per kilo is. Dat lijkt duur, maar het product moet voor 30% uit amandelen en pistachenoten bestaan, met 25% honing en verder eiwitten. Dat zijn dure grondstoffen. En de noga uit Montelimar is nog steeds handwerk. Zo’n 13 uur moet het mengsel koken op houtskool, voordat het eindelijk noga wordt. Als het soms wél machinaal is geproduceerd, dan proef je dat, en let dan vooral op je gebit: knetterhard! Overigens zijn de echte fabrieken en het nogamuseum te bezoeken.

Montelimar, nogastad

Minder bekend, maar niet minder lekker zijn de verschillende “biscuits” uit Saillans. De craquants of croquettes zijn harde koekjes, met bijvoorbeeld stukjes amandel erin.
Overigens lijken deze erg op Italiaanse canistrelli. Maar what’s in a name? Gewoon zo’n koekje dopen in je koffie en smullen maar.
Chocola wordt hier ook veel gemaakt. Een echt grote fabriek, Valrhona, met een eigen opleidingsinstituut, ligt aan de Rhône, net in de Drôme. In de winkelstraat van Crest zit een zaakje waar je het proces van chocola maken zelf kunt bekijken. En in Mirabel-et-Blacons zitten maar liefst 2 fabriekjes waar overheerlijke chocola handmatig wordt gemaakt. We kregen kortgeleden een zakje van vrienden, vast niet van goeie kwaliteit, want het was namelijk zo weg…

Uiteraard heeft deze regio ook haar eigen bekende kaassoorten. De Picodon, een geitenkaas, kun je zowel zacht als hard eten. Hoe langer de geitenmelk rijpt, hoe harder de kaas en ook hoe pittiger de smaak wordt. Bij de geitenkaas uit deze streek kun je erop rekenen dat de beestjes een deel van de dag in de wei lopen. Vooral Crest staat bekend om de Picodon en dat kun je zien ook: op verschillende rotondes staan beelden van de geit..
Zelf vind ik de Bleu de Vercors heerlijk. Dat is een Roquefort-achtige kaas, een blauw-geaderde dus. Die is in de 14e eeuw ontwikkeld door monniken, in het noorden van de Vercors. Deze zachte kaas is heerlijk op een plak stokbrood, maar ook lekker als kaassaus. Mijn eigen tomatensalade maak ik daarmee op smaak: Eerst de dunne plakjes tomaat op een platte schaal uitspreiden, Herbes de Provence erover en dan de kaassaus: fijngeprakte Bleu de Vercors mengen met mayonaise, even verwarmen in de magnetron en klaar…

Een bijzonder “ product” in de Drôme is de pintade, de parelhoen, qua vorm een kruising tussen een kip en een kalkoen. Van oorsprong komt de parelhoen uit Noord Afrika, en is naar Europa gebracht door de Grieken en de Romeinen.Volgens een legende was het Hannibal, die de beesten meenam naar de Drôme. Omdat dit een biogebied is, lopen de pintades in de open lucht rond. De eerste keer dat ik “ een veld” van die mooie dieren zag, stopte ik verbaasd de auto, omdat ik ze nooit eerder zag. Veel restaurants hebben deze parelhoenders op de menukaart staan, maar het is echt wel een kunst om ze goed te bereiden.

Alhoewel lamsvlees echt niet alleen maar hier voorkomt, is l’agneau de Diois absoluut een specialiteit. Dat komt vooral omdat het om biologisch vlees gaat. De minder smakelijke soort uit Nieuw-Zeeland koop je voor de helft van de prijs in de supermarkt. Echt niet doen!Vrij onbekend is de ravioli uit het noorden van de Drôme. Dit product is uitgevonden aan het eind van de 15e eeuw door de charbonniers, de kolenbranders, omdat ze in het bos geen vlees hadden. Dus vulden ze deeglapjes met kruiden, stukjes aardappel, groente, ham en kaas. Dit gebeurt nog steeds op ambachtelijke manier, dus is het niet goedkoop. Wel heel lekker.

Frankrijk associeer je meteen met knoflook. Dat de Drôme een heel grote leverancier daarvan is, is nauwelijks bekend. De mix van de grond, de zon en de mistral geven deze knoflook een beetje zoetige smaak en een echt witte kleur, met hier en daar wat paarse “ vlammen”. De teelt gaat terug naar ongeveer 1600.

Alhoewel vooral de Provence bekend staat om de grote lavendelvelden, heeft dit departement er ook heel veel, te bewonderen via speciaal uitgezette autoroutes. In de buurt van Die zijn maar liefst 2 distilleerderijen, waar o. a. olie, zeep en gezichtscrème van wordt gemaakt. Voor ons huis ligt ook een akker, daar genieten we echt van.

Tenslotte de Noix de Grenoble, de walnoten. Vroeger stonden er in deze regio vele akkers met moerbeibomen, de mûriers, die dienden voor de zijderupskwekerij. Toen daar de klad inkwam, kregen boeren subsidie voor het aanleggen van walnotenplantages. Deze specifieke soort, Noix de Grenoble, is van een uitmuntende kwaliteit. De halve noten gaan naar de betere banketbakkers, de rest wordt gebruikt voor walnotenolie. Gewoon een handvol noten snoepen is natuurlijk ook heerlijk.

De Drôme is een prachtig departement, het heeft niet alleen veel moois te bieden, maar ook veel lekkers.

Read Full Post »