Feeds:
Berichten
Reacties

Het is al meer dan 30 jaar geleden dat ik lid werd van de Tweede Kamer, maar dat bleek toch niet de goede plek voor mij. De belangstelling voor de politiek is echter nooit verdwenen. Net als de verbazing over hoe slecht het beleid wordt uitgelegd. Nog steeds.

In mijn tijd was de WAO een heet hangijzer. Die wet was er voor mensen die arbeidsongeschikt werden, maar bedrijven maakten er massaal misbruik van. Het was namelijk een lucratieve manier om mensen te lozen. Dan móet je als politiek wel ingrijpen. Maar leg dat dan fatsoenlijk uit.

Iemand die zijn beleid goed kon uitleggen was Jacques Wallage, toen Minister van Onderwijs. Een partijgenoot van mij, maar niet echt mijn vriendje. Ik was erbij, toen hij voor een zaal met 150 woedende onderwijsmensen stond en zijn plannen verdedigde. Bij ieder probleem somde hij alle mogelijke oplossingen op, plus de bezwaren. Hij kwam tenslotte uit op de door hem gemaakte keuze. En de zaal begreep die redenering.

Maar niet iedereen heeft die gave. En dan is het beleid met het boerenverstand niet meer te volgen…

Zoals de voorgenomen gaswinning in de Waddenzee. In Groningen wordt die gestopt, de problemen daar zijn nog lang niet opgelost en je begint elders gewoon opnieuw. In de Waddenzee, voor een groot deel een beschermd gebied. Snapt u dit?

En dan al die roeptoeters over de stikstofproblematiek. Dat er een groot probleem is, valt niet te ontkennen. Maar mij lijkt het, als leek, dat je moet kijken naar wie nu precies die vervuilers zijn, welke maatregelen je kunt bedenken en hoe je die uitgevoerd krijgt. En ook op wélke termijn die reductie moet plaatsvinden. Nu ligt er een plan, wat uitsluitend over de landbouw gaat. Ik snap de grote lijn van dat verhaal: dáár ingrijpen waar dat het het meest urgent is. Overijssel, waar ik woon, is ook aan de beurt. Terecht.

Pasgeleden las ik een interview met de Overijsselse Gedeputeerde die landbouw in zijn portefeuille heeft. Die keert zich voor 100% tegen de Haagse plannen met een argument waarvan je de tranen in de ogen krijgt. “Den Haag” wil graag weidevogels beschermen, die hebben insecten nodig en die voeden zich juist met mest. Dus de boeren moeten blijven. Zou die man zich écht bekommeren om de weidevogels? Dat blijkt niet uit zijn beleid…

Een paar voorbeelden. Hier vlakbij heeft een zakenman 2 oude boerderijen opgekocht. Hij wil in een daarvan 900 fokzeugen houden en in de andere 13000 biggetjes grootbrengen. Beide bedrijven liggen vlakbij een natuurgebied, waar heel veel geld in wordt gestopt. Toch hadden de gemeente Ommen en de provincie Overijssel de plannen goedgekeurd. Gelukkig heeft de rechter in beide gevallen ingegrepen. De man heeft overigens legaal emissierechten gekocht, van een boer die ermee stopte. Andere provincies verbieden dat uitruilen buiten de provinciegrenzen, maar Overijssel niet. In dezelfde provincie krijgt een boer, die al 6000 varkens heeft, toestemming om er nog 10.000 bij te nemen.

En dit voorbeeld is óók op kijkafstand van ons: Daar is iemand gestopt met zijn boerenbedrijf en dat is opgekocht door een andere boer, voor uitbreiding van zijn eigen bedrijf. De stal wordt meteen een stukje groter. Ik snap dat wel van die boer, maar niet van de overheid. Ik vraag me daarom af: Lezen die ambtenaren en die Gedeputeerde geen kranten?

Dairy cows of Monbeliard breeding in free livestock stall

Overigens: ik heb best begrip voor boeren die meer inkomen willen verwerven of een mooi bedrijf aan de kinderen willen nalaten. Ik heb óók begrip voor mensen die gebruik maken van de bestaande regelgeving. Dus die individuele boer verwijt ik niks, wel de overheden die zich hier laks opstellen.

In tegenstelling tot de BoerBurgerBeweging vind ik oprecht dat “de boeren” het probleem moeten aanpakken. Maar er zijn veel wegen die naar Rome leiden.

Met mijn boerenverstand zou ik zeggen: begin bij de mensen die wel willen stoppen en biedt hen een ruime schadeloosstelling. Koop die boeren uit, volgens vaste normen.

Toen we de camping in Frankrijk hadden, was er eens sprake van een rondweg rond het stadje Die, met een rotonde midden op ons terrein. Dat zou dus het einde van ons bedrijf betekenen. Maar er bestaan daar vaste -en ook goede- vergoedingen voor de waardevermindering van je huis of van je bedrijf, als de overheid je grond opeist. Het heeft geen zin om er bezwaar tegen te maken. Wat je daar ook van vindt, het is in ieder geval duidelijk.

En nóg een voorbeeld uit Frankrijk: Gewenst gedrag kun je ook stimuleren met subsidies. Met de dienstencheque wordt daar bijvoorbeeld zwart werk tegen gegaan. En als je werkzaamheden laat uitvoeren door een bedrijf, zoals het plaatsen van een keuken, krijg je het lage Btw-tarief op de hele keuken. Dat scheelt een slok op een borrel. Ook energiebesparing wordt op verschillende manieren gestimuleerd. Soms zelfs met volledige voorfinanciering, zodat ook “de gewone man” mee kan doen.

Eén Europa? Hoezo? Is het verboden om naar goede voorbeelden in het buitenland te kijken?

In het geval van de boeren zou subsidie op milieubesparende maatregelen, zoals een ander soort voer, misschien een idee zijn?

Dat boeren vlakbij natuurgebieden slechts de keus hebben uit ophoepelen of de emissie zeer sterk verminderen, lijkt me logisch. Dat – alweer- een politicus zei dat die boeren daar eerder waren dan de erkenning van dat natuurgebied, is toch ten hemel schreiend? Kunnen we een Belachelijkheidsprijs instellen?

Wat die politici ook vergeten is dat het stikstofprobleem niet uitsluitend door de boeren wordt veroorzaakt. Wel grotendeels, dus de oplossing zal ook daar grotendeels vandaan moeten komen. Maar als de luchtvaart voor 10% bijdraagt, dan zal daar ook die reductie plaats moeten vinden. Wel zo eerlijk. En misschien moeten alle autorijders ook een toeslag gaan betalen… En ik heb dit nog niet opgeschreven of er valt een besluit: Schiphol moet drastisch inkrimpen. Geweldig!

Rien zegt regelmatig tegen mij dat ik de politiek weer in moet. Een ding is zeker, dan neem ik mijn boerenverstand beslist mee! Overigens past hier wel enige bescheidenheid: De beste stuurlui staan aan wal, dat besef ik.

PS. Nog iets grappigs tot slot, iets waar ik met mijn boerenverstand ook niet bij kan. De Franse gemeente Die schrijft in een mail dat er sinds 3 maanden ons verzoek om een bouwvergunning in 1981 op een bureau ligt. Wat ze er mee moeten? Nou, na 40 jaar dus niks meer. En dat verzoek komt niet van ons: toen woonden we nog hoog en breed in Nederland. Ook opmerkelijk: men gebruikt mijn nieuwe mailadres, terwijl de gemeente Die alleen over het – afgesloten- Wanadoo adres beschikt. Een nep mail dus…

Weer genieten

De afgelopen weken waren natuurlijk verdrietig, door de ziekte en het overlijden van Riens broer. Onze vakantie was al geboekt, maar de lust om te gaan ontbrak eigenlijk. Maar alles is afgesproken, dus dan ga je toch.

De eerste week verblijven we op Domaine du Mûrier, het bedrijf dat wij in 2001/2002 zijn begonnen. We kochten indertijd een oude, verwaarloosde boerderij, met 28 vertrekken plus bijgebouwen. Op de bijbehorende 5 hectare grond stond het wuivende koren.

Er kwam een kleine natuurcamping, we maakten 3 appartementen, een restaurant en een jeu-de-boulesbaan. Zelf vonden we het toen al een mooi geheel, maar nu is het nog mooier.

Zo mochten wij indertijd van de Franse schoonheidscommissie, Bâtiment de France, de luiken niet bordeauxrood verven. Inmiddels hebben ze die kleur wél. Ook zijn er een paar grote terrassen voor de 3 appartementen gemaakt. Het sanitairblok heeft eveneens een flinke upgrade gehad. En dan al het groen! Wat broer T. heeft ontworpen is uitgegroeid tot een waar paradijs.

Rien loopt bijna huppelend door ons appartement: “Kijk, dit heb ik nog gemaakt. En daar lopen de leidingen “. Bij mij komen ook herinneringen boven. Toen we net begonnen kozen we voor de goedkoopste verf, acryl, zo over het behang heen. Dat was geen succes. Jaren later hielpen onze Portugese bouwvakkers om het écht mooi te maken. Het armetierige systeemplafond ging eruit en de boys herstelden het eeuwenoude plafond, inclusief de mooie rozetten. De keuken is indertijd 3 x (!) geplaatst. Tweemaal bedacht Rien dat hij een leiding vergeten was, dus hups, alle kasten weer van de wand. Pas daarna kregen we in de gaten dat de koelkast nu de enige toegang tot de andere gîte blokkeerde De voordeur daarvan was, met de sleutel aan de binnenkant, op slot. Dus weer de keuken verplaatsen. Achteraf is dat best een leuke herinnering…

We borrelen met de nieuwe eigenaar en moeten er meteen een avond eten. Zo’n lekker sfeertje, puur genieten is het.

Omdat onze vroegere buren niet thuis zijn, laten we een briefje achter. Vervolgens krijgen wij een bericht van de oppassers in ons Nederlandse huis: die luisteren naar een lang en onbegrijpelijk Frans bericht op het antwoordapparaat, maar hebben nog net door dat het de buurman is. Dus nog een keer die kant op.

We hebben ook weer een oer genoeglijke avond bij mijn “ex”. Je hebt van die ontmoetingen die je een leven lang bijblijven. Zo zaten we jaren geleden bij die ex aan tafel, toen hun vrienden eerder aankwamen dan verwacht. Dat klikte meteen, sindsdien zien we elkaar regelmatig.

Bij al die eetafspraken gaat het om uitersten. De een haalt er een stapel kookboeken bij voor een menu, bij een ander krijgen we als amuse een zakje pepsils. Het voorgerecht is daar een deegbakje, gevuld met een kaassaus. Simpel, maar echt heerlijk en de sfeer is er beslist niet minder om.

Nóg een onverwachte ontmoeting: tijdens de heenreis breekt er een stukje van mijn voortand af. Gelukkig maakt onze vroegere tandarts een gaatje vrij voor mij. Wat een belevenis! Ik stuiter de praktijk binnen zonder mondkapje: fout. De tandarts loopt in een wegwerppak en daarover nóg een extra papieren schort. Hij draagt een masker én een spatscherm. Zijn paar haren – want bijna kaal- verbergt hij onder een hoofddoek. Dat we ondertussen in Nederland wonen is hem niet bekend. Tandarts vraagt naar onze woonplaats en weet dan precies waar dat is. Hij is namelijk getrouwd met een Nederlandse en komt dus regelmatig in de buurt.

Na een laatste etentje bij de buren gaan we naar Collioure, naar de zee.

Terwijl Rien de auto parkeert kijk ik wat rond en denk aan de allereerste keer dat we hier waren, zo’n 35 jaar geleden. Het was hoogseizoen, stampvol door de toeristen, maar toch konden we mosselen eten op een leuk plekje. Daarna gingen we bij een kroeg naar binnen, waar een Nederlands bandje optrad. Hoe we het voor elkaar kregen, weet ik niet meer, maar toen de bar sloot, gingen wij met de band naar een volgende tent. Ik dronk Sangria, dat is echt verraderlijk spul: het smaakt naar vruchtensap en de alcohol heb je niet in de gaten. Nou, later wel dus…Mijn keurige jasje vonden we de volgende dag gelukkig terug in die kroeg.

We hebben hier hetzelfde appartement als 3 jaar geleden, in een prachtige villa, met uitzicht op zee. Helaas staat onderhoud niet op de prioriteitenlijst. Als we aankomen, moeten de mieren van ons terras nog worden verwijderd. Die binnen zitten, zijn voor ons. Als het er teveel zijn, komt meneer met een spuit: “C’est la nature”, zegt hij. Dat is waar, maar toch liever niet een nest voor je slaapkamerdeur. Later in de week vangen Rien en ik nog een muis in de woonkamer….

Het zwembad is leeg en staat vol met apparatuur. We zien de verhuurder op een dag een uur lang bezig met de hogedrukspuit, daarna zit onze auto onder de cementvlekken. Gelukkig gaan die er met een sopje weer af. Daarna gebeurt het nóg een keer. Grrrr. Van de oorspronkelijk mooie keuken bladdert het fineer af. Gewoon jammer. Een van de 3 ramen, die uitzicht op zee geven, is kennelijk gesneuveld. Drie stukken plexiglas zijn nu aan elkaar geplakt met tape.

De douche is ook bijzonder: lekker ruim, maar je moet van de ene waterstraal naar de andere springen. Dat was anders op Domaine du Mûrier: een krappe douche (er was niet meer ruimte, weten wij, als bouwers), maar wel een lekkere plens water. Wat een luxe straks thuis…

Dat is het leuke van vakantie: even weg uit je alledaagse leven en daarna weer blij zijn als je terug bent. Eigenlijk dus twee keer genieten. (Ook van de mooie bermen in de Hammerflier).

Toen ik Rien nog maar pas kende, nam hij me mee naar zijn familie. Hij had zijn moeder al verteld dat hij een nieuwe vriendin had. “Dat gaat wel weer over”, zei ze. Toch was de ontvangst allerhartelijkst, een warm bad eigenlijk.

Riens oudste broer was er niet bij, die was getrouwd, werkte al en woonde “ver weg”. Toen we daar gingen kennismaken was het contact meteen zo leuk, dat we vrij snel erna met zijn vieren op vakantie gingen. Broer had een Imp, een kleine auto, waarin 2 tenten moesten, een weekendtas van elk stel, en allerlei andere kampeerspullen. Ik herinner me nog dat schoonzus en ik de hele weg – en dat wás een eind, helemaal naar Schotland- met opgetrokken knieën achterin zaten, omdat bij onze voeten ook nog een hoop bagage lag.

Eenmaal op de plaats van bestemming gingen de beide broers vissen met wilgentakken. Omdat ze geen succes hadden, werden er echte werphengels gekocht. Tot er een Schot voorbijkwam die zei: “No fish here!” Er zat dus geen vis. En dat monster van Loch Ness zagen we ook al niet.

Broer en schoonzus waren beiden tuinarchitect. Bij alle uitstapjes was er bijzondere aandacht voor het landschap. “Kijk, aan die bomen kun je zien dat daar een kasteel staat of heeft gestaan”, zei hij dan. Zoiets vergeet je nooit meer.

Rien is de vierde in een gezin van 8. In een groot gezin krijg je dat spullen van de oudste naar een jongere gaan. (Dat schijnt ook zo geweest te zijn met een jongedame, maar over dit “familiestuk” weet ik niks…). Van broerlief kregen wij indertijd een koelkast en later hun Genemuider vloermatten. Toen wij eens beter in de slappe was zaten, betaalden wij voor hen een speciaal dakraam: voor wat hoort wat.

Onderling werden en worden er ook allerlei hand- en spandiensten uitgeruild.

De jongste broer ontwierp bijvoorbeeld het logo van de camping. En de oudste broer maakte een paar keer een tuinontwerp. De topper was natuurlijk dat van de camping!

We hadden nog maar net het voorlopig koopcontract getekend of hij was al ter plaatse, nam heel veel foto’s en niet veel later lag er een tekening. Hij was inmiddels ook afgestudeerd als landschapsarchitect, vandaar.

De campingplaatsen lagen mooi rondom een vijver, maar dat plan werd afgekeurd: mevrouw DDE vond een vijver niet natuurlijk en daarom niet passend bij een aire naturelle. Nu kun je daar over twisten, maar dat deden we niet. En gelukkig maar, want wij zouden vervolgens ook verantwoordelijk zijn voor de gevolgen van een waterplek. Er zal maar een dronkenlap in vallen en verdrinken! Niet veel later, toen er ergens in Frankrijk een kind verdronk, moest iedereen zijn zwembad beveiligen. Dat had ongetwijfeld ook voor zo’n vijver gegolden.

Je moet wel een visionair zijn, om te bedenken hoe zo’n korenakker in de toekomst een parkachtige camping wordt. Wij plantten in maart 2002 2300 ministruiken en 50 “bomen”, maar zagen dat toen echt nog niet voor ons.

Afgelopen september waren we er, het was precies geworden zoals hij het bedoeld had. Prachtig gewoon.

Uiteraard kwamen ze jaarlijks bij ons in Frankrijk. Een wandeling met hen in de Vallon de Combeau schoot werkelijk niet op: bij ieder plantje bleven ze stil staan en al gauw hadden we een groepje wildvreemden om ons heen, geïnteresseerd in de uitleg van de deskundigen. Ook op de camping zagen ze alleen de beplanting. Ik nam al bij voorbaat een pen en papier mee, om alles op te schrijven.

Als wij in Nederland waren, woonden we bij hen. In de stenen schuur van hun woonboerderij mochten wij een eigen appartement maken. Alles werd keurig geregeld in een soort contractje, voor het onbestaanbare geval dat er toch misverstanden zouden ontstaan. Maar ruzie krijgen met hem? Daar kon je je niet eens iets bij voorstellen.

Hij was voor ons ook een beetje een vader. Als we onze lijst met bezoekjes afwerkten, deed hij steevast ‘s avonds een lampje aan en de verwarming al een graad hoger.

En alle ochtenden, om 10.15 uur (je kon er de klok op gelijkzetten), klopte hij op onze tussendeur: Er is koffie! En dan altijd iets lekkers erbij van kookwonder K….

Dus dat samenwonen met hen was iedere keer weer een genoegen. Toch kwam er een eind aan. Broer werd in 2013 voor de eerste keer ziek. Alhoewel hij heel goed reageerde op de behandeling, kregen wij het een beetje benauwd: En wat, als hij toch zieker wordt en er niet meer is? Dan moeten wij vertrekken. Daarom kochten we ons huisje in Sibculo. Toen we op dat park gingen kijken, namen we hen mee. En ook weer zo grappig: wij keken naar het huis, zij naar de plek. Hun voorkeur ging uit naar een volledig uitgewoond huisje, maar wel op een mooie, grote kavel, vrij gelegen naast een akker. Wij gingen toch voor de perfect onderhouden versie…

En toen wij in 2020 besloten terug te gaan naar Nederland, gingen zij samen met vrienden uit Ommen in die plaats een huis bekijken. De vrienden vonden het een mooie woning, de familie zei: “Niet doen, daar zullen jullie niet aarden. Veel te weinig buitenruimte”. Niet veel later vonden wij ons huidige huis. Na een eerste bezichtiging ging de familie weer mee, om ons te adviseren. De makelaar vroeg vervolgens aan schoonzus of zij bij hem wilde werken, zó enthousiast liep ze door het huis…

We waren gelukkig zo slim om toen al bij een notaris een machtiging te regelen. Zowel de broer als zijn oudste dochter mochten de definitieve koopakte tekenen. Wij zaten immers in Frankrijk. En terwijl de verhuiswagen én wij onderweg waren, zetten zij hun handtekening.

Nu we in de buurt wonen, kunnen we wat vaker even bij elkaar op bezoek gaan. En dat is fijn, zeker als zijn ziekte ineens weer de kop opsteekt.

In 2018 organiseerden Rien en ik een broers- en zussendag. Er is nog een prachtige foto van de hele club, inmiddels een mooie herinnering. Vorig jaar stelde de man van Riens jongste zus voor dat hij de volgende familiebijeenkomst zou gaan regelen. Een week later was hij er niet meer. En vier maanden later stierf de broer die net onder Rien komt.

Op 10 april zou eindelijk dan toch hier die afgeslankte familiereünie plaatsvinden. De catering was geregeld, de drank ingeslagen en toen ging het achter elkaar mis. Terwijl de oudste broer zo ziek werd dat hij een bezoek niet zag zitten, belde een zus, derde in de volgorde, met gezondheidsproblemen af. De oudste zus viel vervolgens uit haar bed en brak een voet…Daar rustte dus geen zegen op.

Eventjes leek het erop dat het wat beter ging met de oudste broer. Tot hij zomaar in zijn slaap overleed.

Vaak genoten we samen met hem van een glas wijn. Hij was ook een echte muziekliefhebber, Rien zei dat hij vast Jan Rot en Henny Vrienten daarboven zou tegenkomen. Misschien wel, maar wij missen onze pater familias.

Een mooie spreuk, en een waarheid als een koe:

Het verdriet van nu

Is de prijs

van het geluk van weleer

Bijzondere types

Van 1975 tot 2019 heb ik gewerkt, altijd met mensen, en daar zaten best bijzondere types bij. Een artikel in de krant, over 06-sekslijnen, brengt me terug naar de sociale dienst.

Door een groefje in de stembanden mocht ik niet langer lesgeven, maar gelukkig was mijn arbeidsdeskundige het met mij eens dat ik, met zo’n klein ongemak, niet in de WAO thuishoorde. De gemeente Hardenberg, formeel mijn werkgever, herplaatste me bij de sociale dienst, daar was werk zat.

In de bijstand is het net als in de rest van de maatschappij: er zijn goede mensen en ook gasten die niet deugen. Vooral die laatsten zijn leuk om over te schrijven. Bijvoorbeeld over die mevrouw van de sekslijnen. Vlak voor de kerstdagen kwam ze binnen, met een aanvraag om een uitkering. De sekslijnen waren opgedroogd en ze had geen inkomen meer, zei ze. Ik had meteen een voorgevoel dat het niet deugde. Maar hoe bewijs je dat? Omdat “iedereen” dit zo’n interessante kwestie vond kreeg ik van alle kanten -vanwege de privacy verboden- hulp. Op de uitkeringsaanvraag stond een rekeningnummer, dus nam ik contact op met die bank. Ja hoor, de lijnen waren nog volop in bedrijf, dat konden ze zien aan de stroom aan inkomsten. En ze gaven me ook de 06-nummers even door. Die kon ik op mijn werk niet bellen, maar de mannen op het politiebureau waren gaarne bereid ze even te testen. Toen moest ik het dus vertellen, dat ze geen uitkering kreeg. Meteen bedreigde ze me: “Kijk maar goed uit als je naar buiten gaat, ik neem je te grazen.” Wekenlang werd ik door collega’s naar mijn auto vergezeld. Maar het lot was me gunstig gezind: niet lang daarna had ze haar gekraakte en volledig vervuilde huis verlaten en verdween ze spoorloos, waarschijnlijk voor een nieuwe poging in een andere gemeente.

En nog een keer voelde ik me bedreigd. Van een buurgemeente kregen we de tip dat meneer X, die bij ons als alleenstaande in het bestand zat, waarschijnlijk samenwoonde met zijn ex, die ook een uitkering kreeg in onze gemeente. Dus werk aan de winkel voor de sociaal rechercheur. Af en toe moest ik ook surveilleren, want de rechter nam geen genoegen met 2 of 3 x betrappen. Uiteindelijk was er genoeg bewijs en kreeg het koppel de uitkering voor een echtpaar. Dat mocht ik dus meedelen… Hij zei niks, bedreigde me niet. Maar toen hij eens door onze straat reed en zag waar ik woonde, voelde ik me een tijdje niet meer zo prettig. Toen kreeg hij kost en inwoning elders, in de gevangenis.

In een andere baan kwam ik ook een keer in een dreigende situatie terecht. Een woedende woonwagenbewoner meldde zich bij de woningstichting aan de deur: hij wilde stante pede een huis voor zijn zwangere vrouw, terwijl hij daarvóór een huis met een hoge huurschuld had verlaten. De directeur kneep ertussen uit en ik, als hoofd van de afdeling Verhuur, moest hem zeggen dat ie een woning op zijn buik kon schrijven. Gelukkig had de man principes: “Ik sla geen vrouwen, anders was je er geweest.”

De Tweede Kamer was in die tijd een veilige werkomgeving. Je kwam niet binnen, zonder een pasje. Met mijn portefeuille sociale zekerheid stond er af en toe wel iemand te briesen bij de toegangspoortjes, maar de beveiligers hielden je dan goed in de gaten. Wat wel een veilig gevoel gaf.

Bijzonder types kwam ik ook tegen als manager van de unit Startende Ondernemers. Daar zaten echt serieuze gasten tussen, zoals de man die door de Kamer van Koophandel naar ons was verwezen. Hij had een kant-en-klaar plan in zijn hoofd, de financiering rond, ook een bedrijfspand. Het enige dat ontbrak was een gedegen ondernemersplan. Dat was een makkie, in dit geval.

Lastiger wordt het als je iemand moet begeleiden die een praktijk in Reiki wil beginnen. Hoe maak je daarvoor een reële begroting?

Ondernemer worden was in dit geval al helemáál niet aan de orde, maar zeg dat maar eens tegen de verwijzende sociale dienst….

Bij de begeleiding kreeg ik in tussendoorzinnetjes een beeld van wat er speelde. Ze had het koud in huis, want de monteur kon niet bij de kapotte cv-ketel komen. Die was namelijk ingebouwd in haar spullen. Zo had ze bij haar verhuizing hele jaargangen van het weekblad De Groninger Gezinsbode meegenomen en daar neergezet. Ook kon ze niet in bad, want daar lagen de bloemen die ze van de kerk had gekregen. Die zet je in een vaas, toch? Maar daar kon ze ook niet bij.

Langzaam kreeg ik zicht op het werkelijke probleem. Ze was een verzamelaar die geen afstand kon doen van haar bezittingen. Hoe moet zo iemand een eigen praktijk-aan-huis beginnen? Laten we het er maar op houden dat ik niet slaagde in mijn opdracht…

Over de bijzondere types op de camping heb ik het Gastenboek geschreven, dat ga ik hier niet overdoen. Echt afwijkende types hadden we niet in ons laatste huis, Mas Dea Augusta. Maar ze hadden wél bijzondere verhalen. Zoals de mevrouw van een telefoonmaatschappij. Ze moest op heel jonge leeftijd trouwen en kreeg een leuke zoon. Manlief -nou ja lief? – kwam op een dag thuis met de woorden: “Ik ga bij je weg.” En zij antwoordde: “Dat is goed.” Geregeld!

Waarschijnlijk leerde ze tijdens de rookpauze op het werk een ander kennen, hij was net als zij een kettingroker. Gelukkig rookten ze alleen buiten, want die geur krijg je niet zomaar weg uit een appartement. Het bel-stel was wel heel gezellig.

Een ander paar was ook een nieuwe combinatie. Zij was een fanatieke wandelaar en hij moest erachteraan. Maar ja, als je verliefd bent, doe je dat. In die eerste week verzwikte hij zijn voet. Met allerlei hulpmiddelen van mij – een elastische enkelband, ice-pack en een crème tegen de zwelling- was hij zo weer op de been. En hup, toen moest hij opnieuw mee de bergen in.

Schokkend was het verhaal van Janneman. Hij had een appartement geboekt en 4 weken voor aankomst alles betaald. Een week voor hun vakantie vertelde zijn vrouw dat ze niet meeging, ze wilde scheiden. Janneman was zó verbouwereerd, dat hij niets vroeg over zijn betaalde huursom. Gelukkig vond ik nog nieuwe huurders en kreeg hij zijn geld terug.

Een bijzonder voorbeeld tot slot. We leerden M. met haar man in de beginjaren van de camping kennen. Hij was toen al ziek en elk jaar was het de vraag of ze op vakantie konden. Toen we nét de camping hadden verkocht, in 2012, stierf hij. Twee jaar later kwam M. met een vriendin, ook weduwe, bij ons in het nieuwe huis. En weer een paar jaar later met een nieuwe echtgenoot. Dat zijn mensen met bijzondere verhalen.

En dan nóg een paar bijzondere mensen. Ik wilde naar Nederland terug vanwege familie, vrienden, theater, musea et cetera. Helaas gooide Corona nogal roet in het eten. Maar nu kan en mag er eindelijk weer meer. En wat gebeurt er? Rien en ik gaan een avondje naar het theater in Hardenberg en ontmoeten daar maar liefst én de vroegere buren uit Radewijk, én twee gasten van Mas Dea Augusta die in Hardenberg wonen én een leuke neef met zijn vrouw. Een bijzondere avond dus.

Prettige Paasdagen!